Interview Minne Veldman

Geplaatst op: 14 januari 2011

Redactielid Jan Koster heeft voor onze kerstnieuwsbrief 2010 een interview gehad met Minne Veldman. Deze is onderstaand geplaatst.

Minne Veldman

Je bent een ‘beroepsmusicus’. Hoe is de liefde voor het vak ‘muziek’ ontstaan?

Het begon allemaal heel onschuldig. We woonden in de jaren ’80 van de vorige eeuw in het Overijsselse Den Ham en zaten in Ommen op de basisschool. Musicus Roelof Elsinga was op die school onderwijzer en gaf ook orgelles. Mijn twee oudere broers hadden al les van hem en het was min of meer vanzelfsprekend dat ik dat (vanaf 1990) ook kreeg. In 1991 verhuisden we naar Hasselt, waar ik orgelles kreeg van Sietze de Jong. Mijn zus kreeg in Hasselt verkering met mijn huidige zwager en die nam me mee naar een orgelconcert in de Grote of Stephanuskerk van Hasselt. Ik weet het nog goed: Harry Hamer speelde op het machtige Rudolf Knol-orgel. Na een paar prachtige werken van Widor sloot hij af met de Fantasie over de Avondzang van Feike Asma. Dáár werd ik door gegrepen! Vanaf dat moment studeerde ik minimaal 2 uur per dag op het orgel met als gevolg dat ik een jaar later kerkorganist werd. Ik was toen 14 jaar. Het studeren nam alleen maar toe, waarna ik op dringend advies van Sietze de Jong toelatingsexamen deed voor de vooropleiding aan het conservatorium in Zwolle. Die heb ik gelijktijdig met de laatste anderhalf jaar van mijn Havo-opleiding gevolgd. Daarna volgde de vakopleiding.

Aan het Conservatorium in Zwolle heb je bij Harm Jansen hoofdvak Orgel gestudeerd. In 2001 heb je deze studie succesvol afgerond met het behalen van het diploma Orgel Eerste Fase. In je verdere ontwikkeling zien we een grote voorkeur voor de ‘Romantische Orgelschool’ De programmering vertoont veel overeenkomsten met die van Feike Asma en Willem Hendrik Zwart. Hoe zie dit zelf?

Eerste liefde verloochend zich niet. ’t Is vooral de muziek van Asma en Zwart die mij enthousiast gemaakt heeft voor het orgel. En hoewel mijn muzikale smaak erg breed is geworden is mijn voorliefde voor deze muziek heel sterk gebleven. Dat uit zich in mijn aanpak van de orgelliteratuur (al ben ik daarin wel mijn eigen weg gegaan) en de programmering van mijn concerten. Voornaamste uitgangspunt daarbij is mijn overtuiging dat al die mooie muziek bestaat bij de gratie van het geestelijk lied. Daarom speel ik geen concerten zonder koraalbewerkingen. Meestal begin en eindig ik ermee. Het orgel is een Koninklijk instrument; koninklijk met een kleine k omdat het de grootste is onder alle instrumenten, maar vooral ook Koninklijk met een grote K omdat het de gouden koets is voor de lofzang waarop de HEERE troont. Dat geldt voor mijn werk als kerkorganist, maar niet minder voor mijn orgelconcerten. En ja, dat heb ik voor een deel toch van Willem Hendrik Zwart geleerd. En de manier waarop hij, en ook Feike Asma, de psalmen en geestelijke liederen benaderde, die ligt mij zeer na aan het hart. En dat hoor je onherroepelijk ook terug in mijn eigen koraalmuziek. Sommigen vinden dat een bewijs van gebrek aan muzikale ontwikkeling. Het zij zo. Ik vind het geen schande. Deze muziek komt recht uit mijn hart, het is een stukje van mezelf. En het toont het doel van mijn bestaan.

Een vervolgstudie of het volgen van een ‘Masterclass’ ontbreekt op je CV…

Dat klopt. Dat heeft alles te maken met een persoonlijke en praktische keuze. Als je wilt trouwen, dan moet er gewerkt worden. En dat was onverenigbaar met een dure en tijdrovende vervolgstudie. Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Ik heb bewust gekozen voor mijn vrouw en ons gezin. En daar heb ik geen moment spijt van gehad. Ik was in die tijd ook postbode en heb nog enige jaren gewerkt als afdelingschef in de AH-supermarkt. Voor mezelf ben ik veel blijven studeren en gelukkig heb ik ook de mogelijkheid gekregen mijn werkzaamheden in de muziek verder uit te breiden. De concerten en koren bleven altijd voorop staan en doordat het werk en de inkomsten daaruit toenamen is het allemaal gegroeid tot wat het nu is. Ik beschouw dat als een rijke zegen.

Koordirectie is ook een onderdeel van de vakopleiding orgel op het conservatorium. Wat heb je hier van mee gekregen?

Je leert zogezegd de basis. Een stukje slagtechniek en zangtechniek. Je leert vooral ook veel door zelf onder een vakman in het koor te zingen. Wil je hierin op het conservatorium echt verder, dan kun je ook koordirectie als hoofdvak studeren. Dat heb ik niet gedaan. Orgel was mijn hoofdvak. Uiteindelijk leer je (met een degelijke basiskennis) het vak uiteindelijk vooral in de praktijk. Veel kijken en luisteren naar anderen en er zelf mee aan de slag gaan. Muziek is een ambacht. Dat moet je leren, maar daarna moet het verder (blijven) groeien.

Onlosmakelijk aan de naam ‘mannenkoor’ is Klaas Jan Mulder verbonden. Bijna 50 jaar was hij dirigent van DEV. Diverse koorbewerkingen verschenen van zijn hand en worden graag door een mannenkoor gezongen. Geef eens een definitie van zijn koormuziek.

De kracht zit ‘m denk ik enerzijds in de eenvoud, waardoor het duidelijk te volgen en gemakkelijk te zingen is, en anderzijds in de schoonheid van de harmonie, waar Mulder een ware meester in was.

Klaas Jan Mulder omschreef de klank van DEV als een ‘bronzen klank’ veroorzaakt door Saksische tongval van deze oostelijke streek. Kunnen we dit ook van Harpe Davids straks verwachten?

Dat is voor mij nu natuurlijk nog een beetje moeilijk te zeggen. Elk koor heeft zijn eigen mogelijkheden en karaktertrekken. Dat zal ook bij Harpe Davids zo zijn, maar die moet ik natuurlijk nog nader leren kennen. Ik wil met Harpe Davids niet DEV imiteren. Maar die warme en ronde mannenkoorklank streef ik wel degelijk na.

Wijlen Piet Zwart schreef voor gemengd koor een prachtige kerstcantate over het lied ‘Hoe zal ik U ontvangen’. Je hebt deze ook voor mannenkoor bewerkt. Kun je over dit koorwerk iets meer vertellen?

’t Is een uitgebreide koorbewerking over het eerste en laatste couplet van dit adventsgezang. Dit lied is puur Advent: het gaat over de verwachting van de komst van de Messias op aarde (tijd voor Kerst), maar uiteindelijk ook om de verwachting van Zijn wederkomst: “Want Hij zal eens verschijnen als Richter van ’t heelal.” Het werk begint met een breed openingskoraal, waarin het eerste couplet gezongen wordt met steeds een instrumentale onderbreking tussen de regels. Vervolgens wordt hetzelfde couplet min of meer fugatisch uitgewerkt. Een fuga is (eenvoudig gezegd) een muzikale vorm waarbij de verschillende partijen steeds om de beurt hetzelfde thema inzetten, die vervolgens op een enigszins vrije manier wordt uitgewerkt. Dit is het meest uitgebreide deel van deze cantate. Aan het slot komt het beginkoraal weer terug, maar nu met de woorden van het laatste couplet en aaneengesloten gezongen, dus zonder de instrumentale tussenspelen. Piet Zwart was een zoon van de beroemde organist Jan Zwart. Piet leefde van 1921-1987 en was onder meer organist in het Groningse Uithuizen en later van de Burgwalkerk te Kampen. Hij was een van de oudere broers van Willem Hendrik Zwart, in leven organist van de Bovenkerk te Kampen (deze was 4 jaar jonger dan Piet). De stijl zoals we die kennen van de Zwart-familie is ook duidelijk herkenbaar in deze koorcantate. Dit werk is door Zwart geschreven voor gemengd koor. Ik heb er een mannenkoorbewerking van gemaakt omdat ik het ook prachtig vind om met een mannenkoor te zingen. Maar: ’t is geen sinecure!

Gaellemunigers en Urkers zijn een volk van stoere zangers….

Ja, dat heb ik meer gehoord! Maar pas op: ’t heeft voor- en nadelen. Er wordt gezóngen! Met hart en ziel. Maar dat kan ook een valkuil zijn. Vanuit een flinke dosis enthousiasme raakt de beheersing en controle wel eens op de achtergrond. Mijn streven is om dit te combineren. Omwille van de schoonheid van de muziek, maar vooral ook om de eerbied van waaruit we ons lied behoren te zingen is het van belang dat we in ons enthousiasme wel onze stem weten te beheersen. En naast onze juichende (niet schreeuwende) lofzang is ook ons tere gezongen gebed heel belangrijk. Juist dat tere van een mannenkoor kan je zo diep raken.

Organist of dirigent…

Allebei, maar niet tegelijk. Als ik orgel speel ben ik echt organist. En dat ben ik in hart en nieren. Maar als ik voor een koor sta ben ik helemaal geen organist, maar puur dirigent. Dat heb ik wel moeten leren natuurlijk. Als organist denk je instrumentaal. Als dirigent moet je vooral vocaal denken. Het gaat puur om het zingen. Ook als je op het orgel een koor begeleidt moet je vocaal denken. Het orgel moet het zingen ondersteunen. Het gaat erom dat de koorzang tot z’n recht komt. De orgelbegeleiding mag dat geheel mooier maken, maar is wel ondergeschikt.

Wat ik liever doe? ’t Is net als met Bach of César Franck, als met fortissimo of pianissimo: ik wil niet kiezen. Het een bestaat bij de gratie van het ander en andersom. Het is juist zo mooi om het allebei te mogen doen. En de afwisseling houdt je scherp en enthousiast.

Veel koorleden kennen je nog niet. Wat kunnen ze verwachten van de mens én musicus Minne Veldman?

Moeilijk om van mezelf te zeggen. Ik zou zo zeggen: nog even geduld. Ik ben een tamelijk open boek, dus ze zijn er zo achter!