Interview met Dick Sanderman

Geplaatst op: 3 oktober 2011

-archief, nieuwsbrief Harpe Davids 2009-

Diverse koorbewerkingen hebben we inmiddels gezongen van de bekende Rijssense musicus Dick Sanderman. Hoog tijd voor interview met deze sympathieke en muzikale vakman!Dick Sanderman

Opmerkelijk; je schrijft diverse koorbewerkingen voor gemengd- en mannenkoor, maar ‘dirigent Dick Sanderman’ wordt nog niet aangetroffen…

Dat klopt helemaal. Ieder z’n vak! Van organisten wordt nogal eens aangenomen dat ze als vanzelfsprekend ook dirigent zijn, maar dat hoéft natuurlijk niet. Als dirigent moet je ook het talent hebben om week in, week uit een groep mensen anderhalf of twee uur plezierig bezig te houden. Mijn talenten liggen op een ander vlak. Dirigeren laat ik dus graag over aan mensen die daarvoor zijn opgeleid.

Koorleden ervaren je bewerkingen wel eens als ‘moeilijk en lastig’.

Dat herken ik wel, ja. Ik ga niet de weg van de minste weerstand. Het is niet zo moeilijk om een koorbewerking te schrijven die makkelijk zingt en makkelijk in het gehoor ligt, maar dan wordt het al gauw heel voorspelbaar. Meer van hetzelfde, zeg maar. Ik probeer enerzijds wat meer kleur in de harmonie aan te brengen en anderzijds zelfstandige lijnen te schrijven voor de verschillende stemmen. Dat brengt met zich mee dat je er als koor wat moeite voor moet doen. Uit de reacties die ik hoor, blijkt echter wel dat mensen het over ’t algemeen juist extra waarderen wanneer ze zo’n stuk goed kennen: dan herkennen ze ook dat het muziek is met een eigen karakter. ’t Is met veel kunst immers zo: kunst die z’n geheimen niet direct prijs geeft, maar waar je wat moeite voor moet doen, daar raak je ook niet zo snel op uitgekeken.

In welk klankidioom mogen we je koorbewerkingen plaatsen?

Ach, etiketjes, daar kan ik niet zoveel mee. Noem het zoals je wilt. Er wordt in Nederland zoveel met etiketjes geplakt. En soms volkomen ten onrechte. Sommige organisten en componisten krijgen dan bijvoorbeeld het label “romantisch”. De romantiek in de muziekgeschiedenis is de periode van Franck, Brahms, Liszt, Bruckner, Wagner, Tsjaikowsky. Dát is romantisch! Leg je daar die zogenaamde romantische organisten en componisten naast, dan zal duidelijk zijn dat het helemaal niks met romantiek te maken heeft. Dus: laat maar…

Op je werkenlijst voor mannenkoor staat een vrijwel onbekend Valeriuslied ‘Hoe groot o Heer, en hoe vervaarlijk”. Maakt ‘onbekend onbemind’?

Ach, ik vind het juist boeiend om dingen te brengen die buiten de platgetreden paden liggen, want daar valt nog zoveel moois te ontdekken! Dat doe ik als organist ook: m’n programma’s bevatten vaak wel iets waar de meeste mensen nog nooit van gehoord hebben. Het hoeft niet alleen maar “feest der herkenning” te zijn, al heeft dat feest wel degelijk óók z’n waarde. De Toccata en Fuga in d van Bach speel ik ook! Maar goed, een lied als “Hoe groot o Heer” verdient ook aandacht, het hoeft niet altijd “Merck toch hoe sterck” of “Gelukkig is het land” te zijn. “Hoe groot, o Heer” staat trouwens gewoon in het Liedboek voor de kerken: toen dat boek in 1973 werd samengesteld, vond men het dus ook de moeite waard om het op te nemen in het gezangenboek voor de protestantse kerk.

Voorzover bekend maak je in je koorbewerkingen voor gemengd- of mannenkoor geen gebruik van een ‘aanvullend instrument’; fluit, trompet, etc. Kies je hier bewust voor?

Medewerking van instrumenten is iets van de laatste tijd, kennelijk onder invloed van programma’s als “Nederland zingt”. Ik houd echter van sober en puur. Een instrument toevoegen om geheel op te leuken, dat zal ik niet gauw doen. Het moet functioneel zijn, anders hoeft het niet. Als het a capella kan, dan mag het ook a capella zijn! Overigens heb ik wel degelijk ook koormuziek geschreven waar een instrument in meespeelt, o.a. een bewerking over “Op bergen en in dalen” voor koor met fluit en orgel. En recent nog een “Kom nu met zang” voor gemeentezang, trompet en orgel.

Muziek voor mannenkoor lijkt zich pas eind 19e eeuw zich te ontwikkelen? Heb je hiervoor een verklaring?

Dat moet heel simpel te maken hebben met het verschijnsel “vrije tijd”. Koorzang in de tijd van Bach en Händel was geen vrijetijdsbesteding, maar was ten behoeve van de eredienst of voor andere plechtigheden. Pas in de 19e eeuw, toen de industrialisatie op gang was gekomen, toen arbeiders ook recht kregen op vrije tijd, pas toen kwamen er gezelligheidskoren. De oorsprong van het mannenkoor ligt bij de Liedertafel, zoals die in 1809 in Berlijn werd opgericht door de componist Zelter. Mannen bij elkaar, zittend rondom een tafel, en dan gezellig liederen zingen: zo is het begonnen.