Rondom een oud stoomgemaal

Geplaatst op: 20 juni 2012

Stoomgemaal Mastenbroek, Genemuiden

Op de Kamperzeedijk tussen Kampen en Genemuiden staan twee elektrische gemalen die het water in de weteringen van de polder Mastenbroek op peil moeten houden. Vroeger stonden daar twee stoomgemalen, het ‘oude’ bij Genemuiden, het ‘nieuwe’ bij Grafhorst. Op beide stoomgemalen is mijn grootvader Hendrik Jonker zevenendertig jaar hoofdmachinist geweest en wel van 1888 tot 1925.

Ik herinner mij uit de beginjaren twintig dat ik zo nu en dan op de zaterdagavond, als kind bij mijn vader achterop de fiets, van Zwolle naar mijn grootvader reed, naar het ‘nieuwe’ stoomgemaal. In juni fietsen wij dan langs de weteringen van de polder Mastenbroek, vol met waterlelies en omzoomd door gele lissen. Hier en daar zaten boeren en boerinnen op hun stoeltjes voor hun terpboerderij te genieten van hun zaterdagavondrust. Mijn vader en een boerenechtpaar groetten elkaar over de wetering heen.

Was het stoomgemaal in werking, dan werden de deuren van de beide vuurhaarden geopend en een vlammend vuur wakkerde aan in angstaanjagende gloed. Met de brede kolenschop werd grof steenkool in de brandende muil geworpen. Het verbazingwekkende scheprad met een diameter van vier tot zes meter draaide traag, maar onweerstaanbaar. In de diepte kolkte het water. Het waaide er altijd. De wind van de kant van de Zuiderzee kon het water hoog opzwiepen, zo vertelde grootvader.

Het was in de jaren dertig, dat ds. P. Zandt, een vriend van mijn grootvader, die toen kamerlid was voor de SGP, bij ons op bezoek kwam. ‘Weet je het nog, Jonker’, sprak ds. Zandt tegen mijn grootvader, ‘weet je het nog, daar in het kamertje van het stoomgemaal?’ Ja, mijn grootvader wist het nog wel.

Ds. P. Zandt was tijdens de Eerste Wereldoorlog predikant in IJsselmuiden en mijn grootvader zijn ouderling. Hij diende de gemeente IJsselmuiden-Grafhorst van 1909 tot 1954 als ouderling. In dat kamertje van het stoomgemaal werden de pastorale zaken van de gemeente doorgenomen en werd over het geestelijke leven gesproken, meestal op maandag. De dominee in zijn lange zwarte domineesjas en de ouderling in zijn blauwe werkpak.

Mijn grootvader had een bewogen leven achter de rug met veel sterfgevallen in de familie. Daarvan heeft hij wel eens verteld. Als jonge man was hij machinist op de Rijnvaart naar Bazel. Hij leefde toen midden in de wereld. Hij wist toen niet of de psalmen in het Oude of het Nieuwe Testament stonden… en vond dat heel erg. Onder de prediking van Ds. Hupkes (hervormd predikant) in Genemuiden werd hij krachtdadig bekeerd en kwam hij tot het geloof.

In het kamer van het stoomgemaal stond een kastje. Hier lag het logboek met opgetekende bijzonderheden, ondermeer het waterpeil in de polder. Een ander boek heeft er ook altijd bij gelegen, maar het ligt er nu niet meer, een dik boek, de Bijbel. In 1954 stierf mijn grootvader, en ontving mijn vader dat boek. De Bijbel werd door mijn grootvader dagelijks geraadpleegd. Dit kun je ook aan het boek zien. De zwarte versleten hoeken van veel bladzijden spreken een duidelijke taal. Hele stukken kon hij in gesprekken uit zijn hoofd opzeggen. Een bladzijde is bijna stukgelezen. Bij Jesaja 40: ‘Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem en roept haar toe dat haar strijd vervuld is!’

Deze tekst uit Jesaja 40 heeft mijn grootvader talloos vaak gelezen en hij paste de inhoud door zelfstudie direct toe op zichzelf. Theologie had hij niet gestudeerd, hij wist niets van ‘deutero-jesaja’, ‘na-exilisch’. De woorden van de profeet troffen direct, emotioneel zijn hart. Het werden hemelse klanken en hemelse muziek, die doordrongen tot in de diepte van zijn leven. Daardoor kon hij in het gebed intiem omgaan met zijn God. God was voor hem geen speculatie, geen idee, maar werkelijkheid, aanwezigheid, even werkelijk als de zon, de wind, de aarde en vruchten uit zijn tuin, Iemand die hij kende.

Op zaterdagavond laat vertrokken mijn vader en ik weer van de Kamperzeedijk naar Zwolle, langs de Mastenbroekerwetering. Aan weerszijden van de fiets hingen de tassen; in de ene tas zat verse paling, die ’s ochtends vroeg door mijn grootvader gevangen was, in de andere tas kanjers van aardbeien, die middag geplukt. In de verte waren de countouren te zien van de Zwolse Peperbus en de  –  nu afgebroken – Michaëlstoren. De boeren en boerinnen hadden zich teruggetrokken in hun boerderijen. De koeien liepen door de nevel, die opsteeg uit de weidegrond. Mijn vader zei niet veel, rustig trapte hij door.

Een enkele fietser kwamen we tegen.

‘Genaovend!’ klonk het dan.

‘Genaovend.’

De zon was ondergegaan. Het begon te donkeren.

(uit: Landingsplaatsen, Dr. H. Jonker)