Psalm 103

Geplaatst op: 23 november 2012

Psalm 103:8 ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven’

Onlangs waren we op de begraafplaats ‘Bergklooster’ in Zwolle. Het ligt diep verscholen in één van de bossen rondom Zwolle. Al in 1400 wordt gesproken van dit kerkhof, dat ooit deel heeft uitgemaakt van het Agnietenklooster, waar Thomas a Kempis was toegetreden tot de Orde van de Augustijner Kanunniken. Of hij in Zwolle zijn beroemde boek ‘De navolging van Christus’ geschreven heeft? Ik weet het niet. Een eenvoudige monument naast de begraafplaats herinnert aan het leven en werk van deze devote monnik. Eeuwenlang zijn gestorvenen hier aan de schoot der aarde toevertrouwd.

De voetsstappen knersen door het grind. Verder is het hier stil. Altijd stil. De volle groene kruinen van de bomen zijn nu getooid met donkergekleurde herfsttooien. De wijdvertakte boomtakken worden zichtbaar. Een vallend blad blijft liggen op een zerk. Zacht schijnen de zonnestralen over dit eeuwenoude kerkhof. Protserige grafmonumenten van de vroegere edelen ontbreken. Eenvoudige grafstenen markeren de laatste rustplaats van een geliefde. Veel opschriften zijn verweerd en vergrauwd door de wisseling der jaargetijden. ‘Het ene geslacht komt, en het andere geslacht gaat.’ Een enkele treurwilg hangt over het looppad. Het graf van vader wordt bezocht. We zwijgen lang en stil… Bij de graven van onze grootouders is er eveneens een gepast moment. Bij het graf van een familielid gaan de gedachten terug naar zijn begrafenis. Hij stierf in hoge ouderdom en de schaduwen van het leven waren diep over hem heen gevallen. De plechtigheid werd geleid door een predikant die wij als ‘vooruitstrevend’ zouden beschouwen. Toch was er beschaming bij de teraardebestelling. Terwijl de kist heel langzaam werd neergelaten in het pas gedolven graf, citeerde de dominee duidelijk hoorbaar voor de aanwezigen het achtste vers van Psalm 103:

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
Gelijk een bloem die op het veld verheven,
Wel sierlijk pronkt maar kracht’loos is een teer:
Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,
Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren:
Men kent en vindt zijn standplaats zelfs niet meer.

Zoiets blijft in je herinnering achter. Trouwens, zelden heb ik deze psalm met zoveel smart, verdriet en zo schreiend horen zingen in onze gemeente als op zondagmorgen 31 oktober 1999. Op maandag 25 oktober was Jan Roeten op 9-jarige leeftijd gestorven. De daaropvolgende zondag, als eerste psalm: ‘Gelijk het gras is ons kortstondig leven’. Het ging haast niet… Een indrukwekkende preek van dominee P. Melis die morgen over Joël 2:13: ‘En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God.’

Zwijgend lopen we naar de uitgang van de begraafplaats. Het groene toegangshek scharniert zwaar op de staanders. Dof valt de hekklink in het slot. De stilte laten we achter. Memento mori, gedenk te sterven.

JK